06 februari 2007

Pas

Ik had het eigenlijk nog nooit eerder gedaan. Tenminste niet op die manier. Pasfoto’s laten maken en een nieuw paspoort aanvragen volgens de eisen waaraan een pasfoto voor een paspoort tegenwoordig moet voldoen.

Het is fijn dat dat maar een keer in de 5 jaar hoeft, want tjongejongejongejonge.

“Goedemorgen fotograaf, ik kom hier om pasfoto’s te laten maken”.
“Dan bent u aan het juiste adres, mevrouwtje. (‘Mevrouwtje’ zei de fotograaf helemaal niet, maar het is zo leuk om dat ‘ns in een verhaaltje te zetten.) Is het voor een nieuw paspoort?”
“Jazeker, fotograaf”.
“Dan gaat u er maar ‘ns goed voor zitten, want dat is nogal wat. Zie deze lange lijst met de eisen, voorschriften en richtlijnen van tegenwoordig maar eens”.
“Nou, dat is een lange lijst, hoor, poe poe”.

Ik ging er ‘ns goed voor zitten. Het was 11.15u.
Het was zo gekiekt.

En om 11.23u was ik bij het gemeentehuis. Ik kreeg een nummertje waarmee ik – zo bleek achteraf – ongeveer een kwartier moest wachten op mijn beurt. Dat was niet zo lang, en daarbij was ik wachttijdvoorbereid naar het gemeentehuis getogen – ik had een goed boek in de tas – dus dat viel allemaal erg mee.
Des te groter de teleurstelling toen mijn pasfoto door de ambtenaar werd afgekeurd. Heel terecht afgekeurd, zo liet ze me zien aan de hand van een sjabloon dat ze over de pasfoto legde; mijn hoofd stond er te klein op. Maar geen paniek, zo verzekerde ze me: mijn aanvraag zouden we samen alvast zo ver mogelijk afwerken, en met een formulier-van-pasfoto-afkeuring dat ze invulde, kon ik terug naar de fotograaf om kosteloos nieuwe pasfoto’s te laten maken, die ik daarna alleen maar even hoefde af te geven aan haar balie.
De oplettende lezer die vandaag buiten is geweest of uit het raam heeft gekeken, weet dat:
1. de fotograaf en het gemeentehuis nogal dicht bij elkaar huizen
2. het weer aangenaam is
en het dus heus niet zo heel erg is dat ik weer terug moest naar Meneer de Fotograaf. Tenminste, dat vond ík.

Meneer de Fotograaf was minder blij mij zo snel al weer terug te zien. Ik overhandigde hem met een milde glimlach het formulier-van-afkeuring en hij bekeek het aandachtig, argwanend en uiteindelijk zuchtend. Je zag ‘m denken: “Wat een zeikers”. Maar er zat niets anders op dan nieuwe pasfoto’s van mij te maken. Hij beoordeelde ze met hetzelfde sjabloon als de ambtenaar had, en mompelde: ”Deze zullen dan ook wel niet goed zijn” (hoofd te groot dit keer). En dus maakte hij voor de derde keer mijn pasfoto’s. Als ik niet in zo’n goede en daardoor zelfverzekerde bui was geweest, had ik gedacht dat het allemaal aan mij en mijn hoofd lag. De derde serie beoordeelde hij natuurlijk weer met dat sjabloon, en zei twijfelend: “Deze zullen wel goed zijn. Maar ja, ze zullen bij de gemeente wel gaan zeiken over een millimeter”. Twijfelend en vragend keek hij even op en mij aan. Ik zei (bemoedigend): “U is de fotograaf”.
Hij zei dat ie het allemaal wel vervelend vond, en ik beurde hem op met de mededeling dat er heus veel ergere dingen in de wereld zijn dan op en neer pendelen tussen fotograaf en gemeentehuis met zulks mooi weer en dat ik er niet wakker van zal gaan liggen.
En ik vroeg nog of ik serie 1 weer mee mocht nemen. “Nee”, was het antwoord.
“Als ik dadelijk de winkel uit ben, gooi je ze weg”.
“Ja”.

Fluitend fietste ik weer naar het gemeentehuis, alwaar mijn derde serie genadeloos werd afgekeurd. Mijn hoofd was en bleef te klein.
De ambtenaar was en bleef vriendelijk tegen mij, en ik tegen haar. Zij kon er immers niks aan doen, en ik ook niet. En als het wel haar schuld was geweest, of de mijne, dan nog waren we vriendelijk tegen elkaar geweest en gebleven. Want waarom niet.

Vijf minuten later stapte ik, nogal altijd vrolijk en blijmoedig, maar ook vastberaden en strijdvaardig, weer bij Meneer de Fotograaf binnen. Een blik die dodelijk was geweest als ík niet onsterfelijk was geweest, snelde me vanachter de balie tegemoet.
“Gossie, het is nog niet goed hoor”, zei ik.
“Wát is er niet goed?”, beet de fotograaf me toe.
Ik zei: “Ikke nie weten. Ikke nie ambtenaar en ikke nie fotograaf” en overhandigde hem het tweede formulier-van-afkeuring. Hem was overigens de norse en ogenschijnlijk van zichzelf overtuigde collega van hij die de eerste drie series had geknipt. Hem riep hij die achter in de winkel was: “Ze is weer terug, het is weer niet goed”. Hem en hij bogen zich samen over het formulier-van-afkeuring en pakten de drie series erbij. Ze zagen ook wel dat de eerste en de derde serie een te klein hoofd bevatten. Hem zei tegen hij: “Dan geef haar de tweede serie, die met het grotere hoofd, mee”.
Ik zei: “Ho ho, hem, daar was hij in eerste instantie ook al onzeker over. Daarmee ga ik nu niet naar de ambtenaar, want dan word ik zeker en vast meteen weer teruggestuurd naar jullie twee. Ik heb tijdens mijn vorige bezoek al tegen hij gezegd dat ik er niet wakker van ga liggen, maar ik vind het nu toch wel een beetje vervelend worden. Het lijkt me voor iedereen het beste als je nog ‘ns knipt”.
Hem rechtte zijn rug, maakte zich nog wat groter en dikker, verhief zijn stem een weinig en vroeg mij uit de hoogte, verongelijkt en sjacherijnig: “En op WIE moet jíj nou boos gaan staan te zijn, hè? Op ons of op de gemeente?”
“Nou, als ik dan toch mag kiezen…”, zei ik, “…op jullie maar”.
(En dat terwijl ik niet eens boos was en ging worden.) (Hoewel daar inmiddels alle aanleiding toe was.)
Hem knipte met tegenzin een vierde serie, en toen nog een vijfde, en de ambtenaar zei dat de vijfde perfect was. Ze had sinds de invoering van de nieuwe eisen nog niet zó’n perfecte pasfoto gezien. Het was 13.27u.

(Jammer is dan wel weer dat die lelijke, grote puist tussen mijn neus en bovenlip gewoon op de foto blijft staan, hoe vaak er ook geknipt wordt.)

1 Comments:

At 6/2/07 11:46 p.m., Anonymous peet said...

*grinnik*
omdat je er wat/ dat van zou kunnen krijgen:
mag een foto met een punthoofd ook op een pas, eigenlijk?

 

Een reactie posten

<< Home